De eerste 1.000 voorjaarskuilen die door Eurofins Agro Testing zijn onderzocht, laten opvallend hoge suikergehaltes zien. Gemiddeld bevatten de kuilen 161 gram suiker per kilogram droge stof. Ook de voederwaarde ligt met gemiddeld 988 VEM op een hoog niveau.
De uitzonderlijke waarden zijn volgens Eurofins het gevolg van de weersomstandigheden in april. Vooral in de tweede helft van de maand was het zeer zonnig en droog, terwijl de nachten relatief koud waren. Daardoor liepen de suikergehaltes in vers gras eind april op tot gemiddeld 220 tot 230 gram per kilogram droge stof.
Door het uitblijven van neerslag bleef de mineralisatie in de bodem achter en kwam de grasgroei langzaam op gang. Na de regenval in mei nam de groei toe en daalden de suikergehaltes in het verse gras.
Eerste snede lijkt op krachtvoer
De meeste onderzochte voorjaarskuilen zijn in week 18, aan het einde van april, gewonnen. De eerste snede kenmerkt zich door een zeer hoge voederwaarde. Met 988 VEM ligt deze nog hoger dan vorig jaar. Dat is vooral het gevolg van een hogere verteerbaarheid en een lager aandeel celwanden. Het eiwitgehalte bedraagt gemiddeld 163 gram per kilogram droge stof en ligt daarmee iets lager dan een jaar eerder.
Volgens Eurofins heeft de vroege eerste snede door de hoge voederwaarde en het uitzonderlijk hoge suikergehalte meer weg van krachtvoer dan van ruwvoer. Daarom is voldoende structuur in het rantsoen belangrijk. Dat draagt bij aan een stabiele penswerking en zorgt ervoor dat de hoge voederwaarde optimaal kan worden benut.
Gunstige verhouding tussen DVE en OEB
De eerste voorjaarskuilen zijn gemiddeld droger dan in voorgaande jaren. In combinatie met de hoge suikergehaltes resulteert dat in een gunstige DVE-OEB-verhouding. Het DVE-gehalte komt uit op gemiddeld 67 gram per kilogram droge stof, terwijl het OEB-gehalte met 37 lager ligt dan vorig jaar.
Een hogere DVE-waarde in combinatie met een lagere OEB-waarde is volgens Eurofins gunstig voor de eiwitbenutting door de koe.



